Feeds:
Posts
Comments

Stomkop

Flash!

Je raakt verblind door mijn lach

Ik staar nog weg maar je hapt

Beet! zeggen je ogen.

Zoete woorden over mij

Je smijt ze rond als rozenblaadjes

Laatste act: het doek mag vallen

Voor jou een slinger aan het stuur

Ik zucht. Aggut, je kreukelzinnen

Race je weg uit mijn leven?

Vergeet

[eentje uit de oude doos]

 

 

Op de Nederlandse nieuwssite nu.nl wordt gekopt: “Helft Nederlanders is te dik“. 60 % van de mannen en 44% van de vrouwen heeft overgewicht. Eén op de zeven mensen uit deze groepen is zo zwaar dat er ernstige gezondheidsrisico’s bestaan. Dit alles blijkt uit een onderzoek van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Vooral het aantal mensen met een dikke buik is de afgelopen jaren toegenomen, wat meer kans geeft op diabetes en hart- en vaatziekten (bron).

De zogenaamde welvaartsziekten als diabetes en hart- en vaatziekten hebben de laatste tientallen jaren een enorme opmars gemaakt. Je zou verwachten dat er concrete, structurele maatregelen genomen gaan worden. In het artikel op nu.nl stelt minister Edith Schippers van Volksgezondheid dat ze bezorgd is vanwege de toename van mensen met overgewicht en daarom 70 miljoen heeft uitgetrokken om sporten in de buurt te bevorderen.

Die maatregel stuit van mijn kant op een kritiek. Zeker, te weinig sporten is één van de oorzaken van overgewicht. Maar iemand die normaal eet en elke dag normaal beweegt, wordt niet dik. Misschien ligt het veel meer aan de abnormale eetgewoonten van al deze Nederlanders met overgewicht.

Minder is beter

Tijdens de zomervakantie van 2009 heb ik als kassière gewerkt in een Nederlandse supermarkt. Het is ongelooflijk hoe veel voedsel er dan door je handen gaat. Nog ongelooflijker is hoe veel slecht eten mensen kopen. Kant-en-klaarmaaltijden met te veel zout; sauzen en dressings met te veel vet; frisdranken met veel suiker; koek, cake en taart met te veel suiker en vet.

Zowel de zwaarlijvige klanten als de ‘normale’ kochten veel light producten. Want, zoals het woord natuurlijk zegt, in light zit minder slechts. Misschien dat er 5% minder vet in zit, maar om dat te compenseren wordt extra suiker (kan ook worden omgezet in vet) toegevoegd. Zit er geen suiker in? Dan wordt er vaak gebruikt gemaakt van zoetstoffen als xylitol (werkt laxerend bij overmatig gebruik) of aspartaam (verhoogt risico op kanker).

Al mijn hele leven balanceer ik op de grens van ondergewicht. Genetische factoren, geen grote eter, snelle stofwisseling. Ik moet elke dag hard werken om alles binnen te krijgen. Met al die light producten tegenwoordig wordt dat alleen maar lastiger. Ik eet voldoende (ben gezond, zelden ziek), maar ik snap gewoonweg niet waarom mensen met overgewicht niet die stap kunnen maken naar gezonder én minder eten.

Sinds een paar weken volgen mijn ouders mijn ouders het RLT programma ‘Help, ons kind is te dik.’ Alle psychologische en sociologische oorzaken buiten beschouwing gelaten, het is duidelijk dat de kinderen te véél slecht eten naar binnen werken. Is het nodig om op de keukentafel de wekelijkse hoeveelheden genuttigd eten uit te stallen? Het komt op mij over alsof de ouders zich helemaal niet bewust zijn van wat hun kinderen eten. Weten ze wel wat ze zelf eten?

‘Meer’ is het devies

Wellicht is er nog een grote rol weggelegd voor de voedselindustrie en onze economie om overgewicht op te lossen. Wie is het ooit opgevallen dat in een supermarkt van een grote keten als C1000 of Albert Heyn alle A-merken ook tevens verkrijgbaar zijn in een huismerkvariant? Waarom is dat zo? Is het de bedoeling dat de supermarkt die een A-merk op de planken heeft dit product kopieërt en het voor iets minder geld en smaak verkoopt aan klanten die meer op hun portemonnee dan het merk letten?

Al met al komt het erop neer dat het assortiment in supermarkten overweldigend groot is. Alle streken van de wereld zijn vertegenwoordigd, bijna elk product komt in minimaal een A-merk en een huismerkvariant, chips, sauzen en dranken doen pas mee als ze minimaal vijf smaakvarianten hebben. En het wordt steeds meer. Komt er ooit een einde aan?

De verleiding van al deze producten kunnen veel mensen kennelijk niet weerstaan. Er is een behoefte om te eten wat beschikbaar is. Geld speelt, zelfs in deze tijden van crisis, niet zo`n grote rol. Immers, de voedselprijzen zijn dan wel gestegen, eten is nog lang niet onbetaalbaar. Bovendien bieden snackbars, dönertentjes en kraampjes in de binnenstad voor enkele luttele euro`s genoeg eetbaars – ongezond weliswaar, maar een prima alternatief voor een complete maaltijd. Of niet?

Gezond is duur

Het is wellicht geen verrassing dat mensen die het minder breed hebben ook minder gezond eten. Duur voedsel als groenten, fruit, en biologisch eten is alleen weggelegd voor rijke mensen en studenten die hun weinige geld uitsluitend besteden aan ‘goed’ voedsel. In het jargon van mijn familie wordt een dergelijke situatie als “te gek voor woorden” aangeduid. Het is “quatsch” dat beter, gezonder eten meer kost dan voedsel dat een lang, naar spoor van bio-industrie, popularisering, opwarming van de aarde, en eutrophiëring (=vermesting) en verzuring (in Nederland) achterlaat. Weten mensen wel dat de monetaire waarde van alle problemen die voortvloeien uit onze overmatige consumptie vele malen hoger is dan de ‘besparingswaarde’ van het kopen van goedkoop, niet-biologisch voedsel?

Kleine stappen zijn gezet. Wakker Dier heeft sterren laten plaatsen op vlees. Hoe meer sterren, hoe beter voor de dieren en het milieu. Steeds meer mensen halen hun eten bij de boer. Dat scheelt in transport- en distributiekosten en is ook nog eens gezonder. Verschillende keurmerken als “Ik Kies Bewust”, “EKO”, “Max Havelaar” en “Demeter” waarborgen de beste keus in landbouwkundig, duurzaam, of antroposofisch opzicht. Toch blijft in mijn ogen de oplossing voor overgewicht (en alle milieuproblemen die voortkomen uit overmatige consumptie): consumeer minder!

Hoe verder?

Overgewicht is zeker niet een probleem dat alleen te plaatsen is bij de mensen die lijden aan deze welvaartsziekte. Ons systeem vraagt om meer, zo goedkoop mogelijk, en snel ook. En dat moet veranderen.

Ik vind dat kinderen die de basisschool verlaten moeten weten hoe zij gezond kunnen eten. Hun ouders moeten een verantwoord eetpatroon aannemen en dit overbrengen op hun kinderen. Supermarkten, voedselmerken, de voedselindustrie, boeren en alle andere spelers die zorgen dat de consument elke week boodschappen kan halen moeten de handen ineen slaan en nationaal én internationaal regels doorvoeren die te veel en ongezond eten verbieden. Subsidies voor de landbouw moeten worden afgeschaft. De bio-industrie moet per 1 januari 2013 verboden worden. Mensen moeten simpelweg minder eten, en vooral minder vlees, chips, snoep, en fast-food.

Ons huidige consumptiesysteem is niet vol te houden. Mensen zakken door hun benen vanwege de onnoemlijke hoeveelheid vet in hun lijf; binnenkort zal ook de aarde door de knieën gaan. Dat moeten we niet willen. En voorkomen. Ik hoop dan ook dat minister Edith Schippers snel rond de tafel gaat met minister Maxime Verhagen van Economisch Zaken, Landbouw en Innovatie en minister Melanie Schultz van Infrastructuur en Milieu. Overgewicht is namelijk geen geïsoleerd probleem dat kan worden opgelost door alleen sporten te bevorderen; het is slechts één van de vele negatieve uitkomsten van ons systeem waarin het best wat minder kan.


A Grave Story (Lilly’s Poem)

They dig out piles of sand

Iron scraping brownish quarts

Rhythmically weeping trees

I kiss their crests, one by one

—‘Next year rain will return’

He’s digging pits for sprouts

And sun colouring his tears bright-red

Me whispering him to go home

—‘Come, rain is sleeping far away’

Early first-falling leaves

It’s the whizzing he looks after

Oh, blessed life, I look on

—‘And with the rain I’ll be back’

Between the cities’ eyes, there

Next to a young oak, he waits

Loddon Lilies proudly pointing

I hush their calling with a nod

—‘Sing along when rain comes down’

Bijknippen

Zoals elke dag keek ik `s ochtends door het raam naar mijn achtertuin. De mussen waren al de hele dag van slag. Ze zaten ongewoon stil op de schutting, hun vleugeltjes opgevouwen tegen hun lijfjes, hun kraaloogjes gefixeerd op de broodkruimels tussen het gras. Zagen zij iets dat ik niet zag?

Na de lunch stapte ik de tuin in. Zonnestralen schenen warm en fel op mijn gezicht. De herfst was nog maar pas begonnen.

De vlinderstruik had weelderige takken over het tegelpad gedrapeerd. Daar moest nodig iets aan gedaan worden. Ook het onkruid dat tussen de voegen van het terras omhoog schoot zou vandaag op de composthoop eindigen. Maar het allergrootste project was de heg.

In de schuur vond ik een heggenschaar, een monstrueus groot stuk gereedschap met lelijke roestvlekken op beide messen. Ik fronste. Was het zo vochtig in de schuur?

Terug in de tuin waren de mussen verdwenen. Ze waren vast voor mijn aanwezigheid gevlucht. Alleen drie van de musjes lagen onderaan de schutting, met hun pootjes omhoog. Dat kwam of door de vorst van vorige week, of door Hannes.

Ik liep naar de andere kant van de tuin, waar een coniferenhaag zich over drie meter lengte uitstrekte. Over de heg heen kon ik in de tuin van juffrouw Olssen kijken. Zij was een bejaarde dame in het bezit van een aanhalige lapjeskat genaamd Hannes. Het beest lag te dutten tegen een poot van de tuintafel. Ik twijfelde niet langer of hij verantwoordelijk was voor de dood van de drie musjes. Afgelopen zomer had ik hem namelijk eens uit de goot boven het klompenhok gejaagd terwijl hij een jonge mus in zijn bek had.

Met een diepe zucht staarde ik naar alle gevorkte takken die uit de heg staken. Dat ging me minimaal een uur kosten.

Ik hief de heggenschaar en knipte de eerste zijtak af. Hé, dat was vreemd. De tak hing er nog steeds. Was de schaar zo verroest dat deze bot was geworden?

Ik waagde een tweede poging. Weer gebeurde er niets. Althans, niet wat ik verwachtte. De zijtak die ik probeerde te knippen was net op dezelfde hoogte als mijn schouder geweest. Nu reikte deze al tot boven mijn hoofd. Ik stapte achteruit.

Aan mijn voeten lagen kleine bergjes afgeknipte coniferentakken. De schaduw van de heg viel half over me heen. Ik keek op, naar de zon. Deze stond veel te ver naar het oosten voor het uur van de dag.

Wat gebeurde hier?

Ik liet de heggenschaar op het gazon vallen en rende het huis in.  Bij de klok van het fornuis hield ik stil. 11:39 projecteerde zich in rode letters op mijn netvlies. Maar nee, het was net na één uur. Had ik vergeten te ontbijten en te vroeg geluncht?

Net op het moment dat ik me wilde omdraaien veranderde de 11 in 9. Ik knipperde. Er stond nu echt 9:39.

Hier klopte iets niet.

Toen ik terug de tuin in rende zag ik hoe de zon half was verdwenen achter de wilgen links in de straat. Zoals `s ochtends. Maar dingen waren anders. De vlinderstruik was kaal en ingekort. Het terras was vrij van onkruid. De heg was keurig geknipt. Er lagen geeneens minitakjes in de aarde bij de coniferenstammen.

Achter me hoorde ik getjilp van vogels. De mussen zaten op het hek, hun kraaloogjes op mij gericht. Vanuit mijn rechterooghoek zag ik beweging, binnen, in mijn huis. Ik keek. En zag mezelf.

Dit was onmogelijk.

Alles aan me voelde nog echt. Ik was niet doorzichtig. Mijn andere ik ook niet. Maar…?

Bij de heg lag nog steeds de heggenschaar. Ik pakte het gereedschap op. Kon ik hiermee bewijzen dat ik in elk geval niet dood was?

Ik kon de heggenschaar oppakken. Dat betekende dat ik niet dood was. Toch?

De mussen konden mij helpen. Ze zaten op de schutting, hun kraaloogjes op mij gericht. Terwijl ik dichterbij sloop hief ik de schaar en verzamelde wat moed. Geen van de vogeltjes fladderde weg toen ik er drie tegelijk tegen hun kopje raakte. De ongelukkigen kieperden naar voren en belandden onderaan het hek. Het moment daarna vlogen alle overige mussen op.

Van schrik liet ik de schaar los. Deze kwam met een plons terecht in een emmer gevuld met regenwater. Als ik de schaar liet liggen zou deze gaan roesten. Dus viste ik het gereedschap op en liep weer terug de schuur in.  Daar lagen katoenen doekjes om de lemmeten schoon te maken.

Wacht. Ik keek naar de schaar in mijn hand. Geen roestvlekken. Iets kneep samen in mijn buik. En daarstraks…

Ik deinsde achteruit, de schuur uit. Buiten was het zomers warm. De vlinderstruik stond in bloei. Het onkruid had zojuist al zijn sporen verstoven. De heg had lichtgroene scheuten.

Voor het klompenhok stond ik. Ook. En ik siste en sloeg richting Hannes, die arrogant omlaag blikte met een mus in zijn bek.

Met een dikke knipoog naar Los Cronocrímenes en Triangle. En credits voor mijn vader omdat hij zei dat ‘bijknippen’ niet kan.

Marcel Minnaert (werktitel)

de brug die staat maar jij ziet blokken

je lacht om mij?

naar mij, misschien

ik zoek de tegels naast het gras

ooit was dat gras een waterval

en wij, nog niets, liepen langs

de sterren achter glas gevangen

naast rechte vlakken meters hoog

net als gister, bij de hokjes

zo koninklijk/om te zoenen

de brug was druk

de tegels staarden

we lachten rakelings, zoiets

en om de hoek komt een ander

ze praat me aan, “je bent het toch?!”

schreeuw ik niet, haar schouder net

het laatste wat nog raakt met jou

Dronkemansdaad

in de regenboogjungle
trilt de grond. mijn haren los
jouw handen open je ogen dicht
het muntje voor de overtocht
dan bij jou, dan bij mij
de barman betaalt
en we lopen hand in hand naar de dood
van onze jeugd.

Voorbij

De stenen rand is ruim een meter breed. Ik zet mijn ene voet, dan mijn andere, en kijk strak vooruit. Onder de zwarte hemel doemen rijen lichtjes op. Lantaarnpalen markeren de wegen en straatjes. Vierkante lichtkavels vormen de massieve omtrekken van flatgebouwen en kantoren. Verderop, in de verste uithoek van de haven, verspreiden enkele lampionnen een waterig schijnsel over de boulevard. Zacht licht van de sterren weerkaatst op de kabbelende golven, als een zilveren sluier, gebroken door de wind. Op één van de jachten is een feest aan de gang. Discolichten flitsen hun felle kleuren in alle richtingen en luide muziek dreunt door de fluisterstille nacht. Het water in de baai klotst met een deinende regelmaat tegen de pier en rolt als een ruisend gordijn het strand op. Een gedempt gelach stijgt op, gevolgd door het rinkelen van glazen gevuld met drank.

Vanaf de boulevard loopt de hoofdsingel dwars door de stad heen en buigt na het centrum af naar het noorden. Elektrische lampen in een saaie matgele kleur begeleiden het slingeren van de singel. Na de reclames op de voorgevel van grote winkelketens verdwijnt de weg ten slotte om de hoek van een appartementencomplex.

Een kille windvlaag rukt aan mijn kleren. Ik bijt op mijn kiezen om de kou te negeren. Nog even. Mijn gebalde vuisten dringen dieper in de zakken van mijn lievelingsvest en mijn haar slaat al wapperend tegen mijn wangen. Nog heel even.

In één van de oostelijke zijstraten van de hoofdsingel loopt een zwerver. Hij is dronken. Ik kan het zien aan de manier waarop hij van links naar rechts over de stoep zwalkt. De man waggelt het bruggetje over het kanaal langs de hoofdsingel op en valt stil tegen de metalen reling. Zijn hoofd buigt en de man kijkt, net als ik, naar de speling van het lantaarnlicht op het langzaamstromende water onder hem. Het kanaal is vervuild. Het zit vol chemisch afval, blikjes, plastic en andere rotzooi. Een aantal jaren terug stonden de kranten bol van de maatregelen die de gemeente beloofde te nemen om deze milieuverpesting terug te dringen. Maar deze beloften zijn nooit waargemaakt.

De dronken man vraagt zich waarschijnlijk af waar al dat afval vandaag komt, want hij buigt  verder voorover. En nog verder. Een bescheiden, korte plons begeleidt zijn afscheid van de wereld der levenden. Morgen, als het weer eb wordt, zal de kustwacht zijn lichaam vinden. Als het ooit aanspoelt.

Aan de westkant van de hoofdsingel, richting het hart van de stad, zijn de zijstraten gevuld met louche winkels, koffieshops, bordelen en kleine theaters. Dat deel van de stad slaapt nooit. Neonletters in alle tinten rood en blauw hullen de straten in een onwerkelijke schakering van kleuren, gedompeld in grijze schemering. Vrouwen in korte, zwarte rokjes en jassen met dikke, nepbontkragen stappen in luxe auto`s met hoge grilles. Ik kan de kentekens niet lezen, maar ik weet wie er achter de geblindeerde ramen zitten. Mannen met een hectische baan die geen vrouw kunnen vinden. Of mannen die een feeks als vrouw hebben.

Bij de ingang van één van de theaters verzamelt zich een groep jongens. Ze roken. Het zijn vast geen sigaretten, want ik zie hoe ze de vloeitjes vullen met spul uit een doorzichtig plastic zakje. De posters op de muur achter hen geven aan dat het theater niet geschikt is voor minderjarigen. Plotseling slaat een projector van het theater aan en het beeld van een naakte vrouw verschijnt op de muur aan de overkant van de straat. De jongens lachen bulderend en verdwijnen in het theater. Als het weer dag wordt, zijn ze de nacht vergeten. En als het dag is, verlangen ze naar een nieuwe nacht. Om hun uitzichtloze levens te vergeten.

Verder naar het noorden liggen de villawijken. Alles is daar rust en ruimte. ’s Zomers ruist de wind zachtjes door bladerrijke bomen; ’s winters verandert sneeuw de wijken in een kerstsprookje. De politie treedt ongenadig hard op tegen mensen die zich ophouden in de wijk maar daar niet wonen. De kerk is alleen toegankelijk voor blanken. Vuil wordt elke maandag opgehaald door de gemeentelijke reinigingsdienst. Elk gezin heeft twee auto’s en gaat elk jaar op vakantie naar een duur vakantiepark om de stadsdrukte te ontvluchten.

Ik vraag me nog altijd af of die mensen gelukkig zijn. Het scheidingspercentage is hoger dan in de rest van de stad. De rijke kinderen stoppen met school om te ontsnappen uit de gouden kooi waarin ze gedwongen worden te leven. Terwijl de arme kinderen aan de spijlen van de gouden kooi rammelen en schreeuwen of ze naar binnen mogen.

Waar de hoogste wolkenkrabbers met hun daken een wegwijzer naar de hemel vormen, hult kille ochtendlucht mij in zijn verdovende omarming.  Er is maar één plaats van waar de hele uitdijende schimmel die men een stad noemt te overzien is. Daar sta ik nu. Ik kijk in oostelijke richting. De contouren van de zacht glooiende heuvels van het Achterland worden zichtbaar bij de eerste vegen licht. In het westen zie ik nog steeds het ondoordringbare indigo van de nacht.

Ik adem diep in en uit en voel de ijzige lucht vermengd met uitlaatgassen mijn longen binnendringen. In mijn hoofd stormen vele gedachten. Over hoe onrechtvaardig de wereld is.  Mensen lijden honger. De natuur gaat stuk. Er is geweld, en oorlog. Terwijl de drank op het jacht blijft vloeien, het afval in het kanaal zich ophoopt, de jongens zich blind staren op porno en de rijken zich steeds verder opsluiten in hun lege paradijs.

Als ik heel stil ben, kan ik boven het rumoer van de stad uit het gezang van engelen horen. Is dat onmogelijk? Ik haak mijn vingers in het grove gaaswerk van het metalen hek voor mij en ga op mijn tenen staan. Nee. Zelfs als ik op mijn tenen ga staan, kan ik de hemel niet aanraken. Ik ben zo dichtbij en nog steeds zie ik geen hemelpoort. Misschien willen ze me daar niet. Misschien.

Herinneringen uit mijn jeugd dringen zich op aan de rand van mijn bewustzijn, samen met mijn idealistische oplossingen en de dromen die ik altijd heb nagejaagd maar niet kon laten uitkomen. Ik mag er niet aan denken. Ik wil het niet. Had ik meer kunnen doen? O, hoeveel verhalen ik nog zou kunnen vertellen. Maar er is geen tijd meer. Niet genoeg.

Langzaam verdrijft grijs licht de nacht. De sterren doven. Een rilling bespeelt mijn ruggengraat, terwijl ik sidderend mijn schouders recht. Met een zucht leg ik mijn handpalmen tegen het hekwerk en staar krampachtig naar de vuurgloed die brandt in het oosten. Ik ben bang. Bang voor de toekomst.

In de verte klinkt het geloei van een politiesirene. De angst raakt met koude vingertoppen mijn hart aan. Vandaag treedt de nieuwe wetgeving in werking. Het zal alles veranderen, alles erger maken. Was mijn inzet nutteloos? Heb ik niet hard genoeg geschreeuwd? De seconden tikken weg. Nog even. Het is tijd als de zon volledig boven de horizon is verrezen. Dan is het voorbij.

Ik moet gaan. Ik kan niets meer doen. Ik heb gedaan wat ik kon. Aarzelend stap ik van de rand af. Mijn handen verliezen het contact met het metalen hek. Ik begin in de richting van het trappenhuis te lopen. Als ik beneden het gebouw verlaat, weerkaatst het licht van de eerste zonnestralen in de ramen van de winkels aan de overkant van de straat. Er klinken nog meer politiesirenes. De eerste rellen moeten al begonnen zijn.

Het is tijd. Tijd voor de toekomst.